Historie

De Vlaamse Milieuholding (VMH) werd opgericht op 18 januari 1990, oorspronkelijk als dochtermaatschappij van de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (Gimv). Sinds 1994 werkt de Vlaamse Milieuholding autonoom aan de opdrachten, die door haar aandeelhouder, het Vlaamse Gewest, in een beheersovereenkomst werden vastgelegd. In 2000 bestond de portefeuille van VMH uit vijf strategische participaties en vijfentwintig participaties in bedrijven die actief zijn in de milieu en recyclagesector. In 2001 besliste de toenmalige Vlaamse regering VMH te herstructureren door afbouw van de risicokapitaalfunctie in de daaropvolgende drie jaren en verkoop van drie van de vijf strategische participaties in de loop van de daaropvolgende jaren.

In november 2017 besliste de Vlaamse regering om VMH opnieuw in te zetten als instrument om het beleid inzake transitieprioriteit “circulaire economie” mede te ondersteunen.

 

Toelichting:

In september 2015 trad de Vlaamse regering naar buiten met haar “Visie 2050” nota waarin een lange termijn strategie voor Vlaanderen wordt voorgesteld (Visie 2050 – Een lange termijn strategie voor Vlaanderen 23 september 2015). Binnen de contouren van een algemene, mondiale trendanalyse en troeven waarover Vlaanderen beschikt wordt hierin een welvaartvisie ontwikkeld die rekening houdt met een aantal te verwachten fundamentele wijzigingen op ecologisch, economisch en sociaal gebied. Om deze toekomstvisie te kunnen waarmaken moet nu worden ingezet op zeven transitieprioriteiten waaronder een verdere ontwikkeling van de circulaire economie en recyclage, hergebruik van materialen en bio-chemie in het bijzonder.


Om deze transitie op ecologisch en economisch vlak te stimuleren maakt de Vlaamse overheid gebruik van mechanismen zoals de inzet van begrotingsmiddelen voor het onderwijs en onderzoeksinstellingen, subsidies aan bedrijven (zowel voor onderzoek en ontwikkeling als rechtstreekse steun) en particulieren (bv op isolatie en energievoorziening). Een klein deel van de beschikbare middelen wordt ingezet onder vorm van risicokapitaal om nieuwe producten en activiteiten te ontwikkelen of het productieapparaat van bestaande bedrijven verder te ontwikkelen.


Deze laatste werkwijze heeft een aantal voordelen tegenover subsidies en dit voor zowel de ondernemer als de gemeenschap. De ondernemer kan met deze kapitaalinbreng andere financieringsvormen aantrekken waardoor hij zijn project kan realiseren. Bij succes realiseert de overheid een onderdeel van haar strategie, recupereert haar ingezette middelen en kan hiermee nieuwe ontwikkelingen stimuleren.